Tag Archives: grondrechten

Bloemetjes buiten zetten

Valentijnsdag is niet in de laatste plaats een feestdag voor bloemisten. Het feest der liefde heeft wel een aantal commerciële kantjes. Gelukkig maar dat uit de rechtspraak blijkt dat óók onder bloemenhandelaars de liefde heftig toe kan slaan.

rsz_20160630_0958021

De kantonrechter Amsterdam oordeelde op 26 april 2001 (JAR 2001/101)  over een werknemer die zijn liefde uitte in, hoe zeg je dat netjes, bloemrijk proza. Dat is tot daar aan toe, maar het gebeurde met de computer van de werkgever. Onder werktijd.

Wat was er aan de hand?

De werknemer werkt enige jaren bij een bloemenhandelaar. Dat gaat allemaal heel goed. Tot bij de werknemer de vlam in de pan slaat. Hij krijgt een nieuwe vlam. En dat gaat  zijn leven nogal beheersen.

Op het werk kan de werknemer niet altijd de aandacht bij de zaken houden. Als hij al aan bloemen denkt, dan zijn het vast romantische boeketten vol rode rozen. In de tijd van de baas schrijft hij verschillende e-mails aan zijn geliefde. Die laten heel weinig aan de verbeelding over, overigens.

rsz_20170212_195835[1]In een van zijn berichten klaagt de werknemer dat hij allemaal saaie besprekingen heeft. En dat hij veel, veel liever bij haar zou zijn.

Misschien is de werknemer een beetje een opschepper. Of is hij heel erg bezig met zijn nieuwe liefde. Wat de reden ook is, hij laat de berichten aan een paar collega’s lezen. En vertelt met smaak over zijn romantische avonturen.

Of zijn geliefde dat allemaal heel erg leuk vond, vermeldt de historie niet. Laten we het maar hopen, op deze 14e februari. De werkgever raakt via de collega’s echter ook op de hoogte. En die is in ieder geval niet zo blij. De werknemer had zijn liefdesleven, hoe opwindend ook, privé moeten houden. En al dat gemail onder werktijd is natuurlijk volstrekt uit den boze.

Eruit Romeo!

De werkgever stapt naar de rechter. Hij wil de arbeidsovereenkomst met de werknemer laten ontbinden. De werkgever wijst nog op de in het bedrijf geldende gedragscode. Daarin is het versturen van privé-mails uitdrukkelijk verboden. Verder heeft de werkgever aanstoot genomen aan de volgens hem pornografische inhoud van deze berichtjes.

De rechter neemt het allemaal wat minder hoog op. Ook op het werk hebben werknemers het recht om privé-contacten met de buitenwereld te onderhouden. Zelfs wanneer de werkgever dat expliciet verbiedt. Werkgevers moeten accepteren dat hun werknemers een privé-leven hebben. Ze moeten daar, ook tussen 9 en 5, enige ruimte voor krijgen.

rsz_20170212_200106[1]Natuurlijk moet dat binnen zekere grenzen blijven. De rechter meent dat die met een berichtje of 5, 6 zeker niet zijn overschreden. Dat de werknemer daarin zijn liefde op weinig subtiele wijze uitspreekt, acht de rechter niet relevant. Met de inhoud van de correspondentie heeft de werkgever niets, maar dan ook niets te maken.

Wél zat de werknemer fout door dit alles te delen met de collega’s. De rechter oordeelt dat ontslag mogelijk zou zijn geweest als de werknemer zijn ondergeschikten met zijn hete mails zou hebben lastiggevallen. De ontboezemingen van de werknemer bleven echter beperkt tot de directe collega’s met wie hij een kantoorruimte deelde. Net als hij, waren het handelaars, die in dezelfde positie zaten. Bovendien heerste er onder hen een zekere macho-cultuur. Ze zijn blijkbaar wel wat gewend en kunnen tegen een stootje.

Al met al heeft het werk te weinig geleden onder de liefdesavonturen van de werknemer. Ook de collega’s  hebben er geen last van gehad. Daar komt dan nog bij dat de werknemer al weer enige jaren in dienst is en verder goed heeft gefunctioneerd. De rechter wijst het ontslagverzoek van de werkgever af.

Wat leren we ervan?

Op het werk mogen werknemers contact met de buitenwereld onderhouden. De werkgever mag het aangaan en onderhouden van relaties met derden niet compleet verbieden. Gedragscodes en huisregels die dat wel doen, zijn niet (volledig) bindend. Het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer geldt ook op de werkvloer.

Uiteraard zijn er grenzen. Die zijn met het versturen van een handjevol mails over een wat langere periode echter bij lange na niet overschreden. De vraag of de werkgever die berichten allemaal even smaakvol vindt, is al helemaal niet aan de orde. Aan wie en op welke manier een werknemer zijn liefde verklaart, is geen zaak van de werkgever. De werkgever mag zich meer in het algemeen niet met de inhoud van de privé-communicatie van de werknemer bemoeien.

Liefde overwint alles. In ieder geval de huisregels van de baas.

FacebookTwitterGoogle+Share

Immuniteit van de Zonnekoning

In sprookjes komt hoogmoed voor de val. Met zonnekoningen en andere ijdeltuiten loopt het doorgaans slecht af. Dat is niet altijd het geval in de juridische werkelijkheid.

rsz_20160822_084316[1]

Het Europees Octrooibureau (EOB) en zijn baas Batistelli hebben de rechtszaak met de vakbonden gewonnen. De Hoge Raad heeft het EOB gelijk gegeven op 20 januari 2017. Sterker nog: de bonden mogen niet eens naar de Nederlandse rechter toe. Zelfs maar proberen om gelijk te krijgen is niet mogelijk. Het EOB geniet volkenrechtelijke immuniteit. Deze internationale organisatie valt niet onder de Nederlandse arbeidsrechter.

Wat was er ook weer aan de hand?

Tussen het EOB en de vakbonden is het al geruime tijd mis. Batistelli wil niet met hen onderhandelen. Vakbondswerk wordt zelfs actief tegengegaan. Enkele vakbondsactivisten zijn ontslagen of hebben andere sancties gekregen. Zie over de sfeer op het EOB mijn blog Zonnekoning.

Naar eigen zeggen is de president van het EOB – European Patent Office – helemaal niet arrogant. Voor het personeel en voor vakbondsactiviteiten bestaat er voldoende ruimte. Alleen moeten er wel redelijke grenzen worden gesteld. Met het EOB gaat het allemaal heel goed.  Geneuzel van personeel heb je overal. En zeurderige vakbonden ook. Maar daar trekken Batistelli en de zijnen zich niets van aan.

Aan de krant vertelde Batistelli lachend dat hij ‘de zonnekoning’ wordt genoemd. En dat dat dan nog een van de meest aardige bijnamen is die zijn personeel hem geeft. Die slaan echter helemaal nergens op. Met Lodewijk XIV heeft hij alleen zijn geboorteplaats gemeen, Saint-Germain-en-Laye.

Bij de  VEOB is ongeveer de helft van het EOB-personeel in Nederland aangesloten. De VEOB krijgt geen poot aan de grond bij de directie. Als  er dan ook nog een regels worden uitgevaardigd die de stakingsmogelijkheden beperken  – reguleren, zegt het  EOB – is de maat vol. VEOB stapt naar de Nederlandse rechter lid heeft om naleving van  fundamentele vakbondsvrijheden af te dwingen.

Het probleem is: mag dat wel?

Immuniteit

Het EOB is een internationale organisatie. Zijn bestaan en werkwijze zijn geregeld in een internationaal verdrag, waarbij een groot aantal Europese landen partij is. De Nederlandse Staat, dus ook de Nederlandse rechter, heeft in beginsel niets te vertellen over zulke organisaties.

EOB geniet volkenrechtelijke onschendbaarheid, net als bijvoorbeeld buitenlandse diplomaten die hier verblijven. Ook al bevinden ze zich fysiek in Nederland, juridisch is dat niet (helemaal) het geval. In feite vormt de EOB-vestiging in Rijswijk een stukje buitenland binnen Nederland. Daar heeft de Nederlandse rechter niets te vertellen.

Voor alle duidelijkheid is de onschendbaarheid van het EOB vastgelegd in artikel 3 van het Protocol bij het Europese Octrooi Verdrag:

Within the scope of its official activities the Organisation shall have immunity from jurisdiction and execution, [...]

Toegang tot de rechter

Nu is Nederland ook partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) . Daarin is het recht op toegang tot de onafhankelijke rechter en op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 6 lid 1 EVRM bepaalt:

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. [...]

En dat is dus het probleem. Als de Nederlandse rechter niet mag oordelen over het EOB, dan kan de bond nergens heen. Er is dan geen rechter die over de klachten van de vakbond kan oordelen. Wat gaat er voor: het recht op een eerlijk proces, of de in het internationale diplomatieke verkeer o zo belangrijke juridische onschendbaarheid?

Wat gaat voor (1)?

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vindt dat immuniteit van rechtsmacht toelaatbaar kan zijn. Immuniteit is bevorderlijk, misschien zelfs wel noodzakelijk, voor internationale samenwerking en diplomatie. Wél moet er een adequate alternatieve procedure geregeld zijn als een internationale organisatie zich op immuniteit beroept. Op wordt voorkomen dat de toegang tot een eerlijke procedure onmogelijk wordt gemaakt. In dat geval zijn beperkingen op dat recht aanvaardbaar.

Volgens het mensenrechtenhof moet er dus een balans worden gevonden tussen toegang tot de rechter en soepel internationaal rechtsverkeer.

Da's gezellig!Het Haagse gerechtshof vindt dat de balans tussen het recht op een eerlijk proces en immuniteit naar de verkeerde kant is uitgeslagen. Het EOB heeft wel een interne procedure, maar die is niet toegankelijk voor VEOB. Alleen EOB-medewerkers  kunnen daar gebruik van maken. Juist omdat de voor werknemers zo belangrijke en fundamentele vakbondsrechten aan de orde zijn, moet de rechtsbescherming goed zijn geregeld. De bonden hebben het recht om voor werknemers op te komen, ook die van internationale organisaties. Dat recht moeten ze bij de rechter kunnen afdwingen.

Volgens het hof is de inbreuk op het recht op een eerlijk proces zo ingrijpend, dat die niet met een beroep op volkenrechtelijke immuniteit valt te rechtvaardigen. Zowel het EOB als de Nederlandse Staat zijn het daar niet mee eens. Ze stappen naar de Hoge Raad.

Wat gaat voor (2)?

Ook de Hoge Raad vindt dat het een kwestie van balanceren is. Maar hij maakt een andere afweging.

rsz_p1010210De Hoge Raad betwijfelt of vakbonden aan het EVRM een recht op toegang tot de rechter kunnen ontlenen. Dat verdrag kent aan die bonden wel bepaalde rechten toe. Uit artikel 11 van dat verdrag vloeit de vrijheid voort om in alle vrijheid vakbonden op te richten. Maar daarmee is nog niet gezegd dat het verdrag ook het recht om over die vrijheden te procederen toekent aan de bonden.

De Raad benadrukt ook nog eens hoe belangrijk die aan het EOB toegekende onschendbaarheid is in internationale verhoudingen. En dat ook het mensenrechtenhof dat belang in verschillende uitspraken heeft onderkend.

Ten slotte vindt de Hoge Raad van belang dat individuele werknemers wél kunnen procederen. In de interne procedure kunnen ze sancties wegens vakbondswerk, of andere inperkingen van hun vrijheden, aan de orde stellen.

Die procedure biedt misschien minder bescherming dan die voor de Nederlandse rechter. Het kan zelfs zijn dat die in sommige gevallen jaren kan gaan duren. En werknemers kunnen pas stappen ondernemen als het leed al geleden is. Pas als ze ontslagen zijn of een boete hebben gekregen wegens (bijvoorbeeld) een staking, kunnen ze naar de interne ‘rechter’ toe. Dat alles leidt de Hoge Raad niet tot een ander oordeel. De interne procedure is zeker niet ideaal. Maar dat is wat anders dan apert onvoldoende. Daarom mag de immuniteit voorgaan.

Wat leren we ervan?

Een botsing van rechten leidt tot ongelukken. Soms zijn ze echt niet met elkaar te rijmen. Zoals bij het recht op toegang tot de rechter en volkenrechtelijke immuniteit. In de rechtspraak is daar een mouw aan gepast door een adequate interne procedure te eisen, voordat de rechter (en de internationale organisatie) zich achter immuniteit mogen verschuilen.

Verboden toegang...
Verboden toegang…

Die ‘oplossing’ roept echter weer zo zijn eigen problemen op. Wanneer is dat nu echt een voldoende alternatief? Op zijn zachtst gezegd is het alternatief in dit geval wat magertjes. Als bescherming van vakbondsrechten moet afhangen van de vraag of individuele werknemers hun nek willen uitsteken in een procedure, dan komt daar waarschijnlijk niet veel van terecht. De Hoge Raad heeft een felroze bril opgezet om dit alternatief als voldoende te kunnen kwalificeren.

Maar goed, over de vraag of iets voldoende is kun je in alle redelijkheid wel van mening verschillen. Het EVRM eist ook niet een gelijkwaardige procedure. Een minder goede kan afdoende zijn.

Bittere nasmaak

Toch heeft deze zaak een nare nasmaak.  De Hoge Raad gaat namelijk wel heel ver door aan te nemen dat de bonden hoe dan ook geen recht op toegang tot de rechter zouden hebben, als het om naleving van vakbondsvrijheid gaat.

Het is vast niet zo bedoeld, maar het is een ongelukkig signaal. Waarom zouden bonden niet het recht hebben om de rechter in te schakelen? De Hoge Raad suggereert dat de bonden nooit bescherming aan het recht op een eerlijk proces kunnen ontlenen. Ook niet als er van een botsing met immuniteit geen sprake is. Daarbij moet bedacht worden dat bijvoorbeeld bedrijven, yogaclubs en kerkgenootschappen wél rechten kunnen ontlenen aan het EVRM. Die hoeven niet de omweg van een rechtszaak door de eigenaars of leden van vlees en bloed te bewandelen om bij een onafhankelijke rechter terecht te komen. En dat eerlijke proces hoeft niet eens over fundamentele rechten te gaan, maar kan ook een burenruzie of de incasso van een telefoonabonnement betreffen.

0a

De Hoge Raad heeft geprobeerd keurig binnen de door het mensenrechtenhof getrokken lijntjes te kleuren. Immuniteit mag voorgaan als er een acceptabel alternatief is voor de rechter. Eerlijk gezegd zie ik dat alternatief hier niet echt. Maar goed: daar kun je anders over denken. Het gaat echter te ver om het hele probleem van botsende internationale verplichtingen weg te redeneren, door het recht op toegang tot de rechter van vakbonden glashard te ontkennen. Het was duidelijker geweest als de Hoge Raad gewoon had gezegd dat immuniteit in dit geval maar moet voorgaan.

Helaas lijkt het EVRM die duidelijkheid niet toe te laten. En daarom moet de rechter zich in uiterst rare bochten wringen om binnen de kaders te blijven. Terwijl er ook had kunnen worden volstaan met de constatering dat het recht loopt soms tegen grenzen aanloopt.

 

 

FacebookTwitterGoogle+Share
rsz_20160822_084316[1]

Zonnekoning

Gezellig wilde het maar niet worden. De President van het Europees Octrooi Bureau (EOB),  Benoît Batistelli, was op kennismakingsbezoek op het Ministerie van EZ. De nieuwe Staatssecretaris, Van Dam, stelde hem kritische vragen over het personeelsbeleid. Daar zat Batistelli duidelijk niet op te wachten. Hoe hij met zijn personeel, en met die o zo vervelende vakbonden om gaat, is zijn zaak. Briesend verliet hij al binnen een half uur het ministerie, aldus het NRC.

rsz_20160822_084316[1]

Naar eigen zeggen is de president van het EOB – European Patent Office – helemaal niet arrogant of zo. Aan de krant vertelde Batistelli lachend dat hij ook wel eens ‘de zonnekoning’ wordt genoemd. En dat dat dan nog een van de meest aardige bijnamen is die zijn personeel hem geeft. Die slaan echter helemaal nergens op. Met Lodewijk XIV heeft hij trouwens alleen zijn geboorteplaats gemeen, Saint-Germain-en-Laye.

Voor de rest is het allemaal roddel en achterklap. Het gaat gewoon geweldig goed bij het EOB. De bonden en wat klagerige werknemers zijn er alleen maar op uit om hem en het EOB te beschadigen. Verschillende vakbondsbestuurders bij het EOB zijn daarom ontslagen of disciplinair gestraft. Ze zouden zich schuldig hebben gemaakt aan  ‘samenzweringen tegen de president’.

Het hoeft niet te verbazen dat er in zo’n sfeertje ook juridische conflicten ontstaan.  En guess what: Batistelli legt ook het oordeel van de Nederlandse rechter naast zich neer. Ook van de kritiek van de lidstaten van het European Patent Office trekt hij zich niets aan.  ‘Privéoorlog topman en bond gaat door’, kopte de krant.

Da's gezellig!
Gezellige borrel?

Maar hoe zit dat nu met het negeren van de rechter?

Wat was er aan de hand?

Bijna de helft van de werknemers het EOB-kantoor te Rijswijk is lid van vakbond VEOB.  Het European Patent Office wil niet met deze bond over arbeidsvoorwaarden onderhandelen. In het voorjaar van 2013 zijn er verschillende stakingen geweest. Die hebben tot niets geleid.

Op 1 juli 2013 zijn door het EOB nieuwe regels voor stakingen ingevoerd. In het EOB-dienstreglement wordt het stakingsrecht van het personeel erkend. Het reglement bevat echter ook verschillende procedureregels en andere voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voordat het personeel mag staken.

Volgens VEOB wordt met die regels en voorwaarden het grondrecht op staken te sterk beperkt. Bovendien worden e-mails van VEOB aan EOB-personeel geblokkeerd.  De bond stapt naar de rechter. En de grote vraag is of dat eigenlijk wel kan. Valt het European Patent Office wel onder de Nederlandse rechter?

Het zal duidelijk zijn dat Batistelli vindt dat dat niet het geval is. En hij heeft een punt. Het  is op zijn minst twijfelachtig of de Nederlandse rechter wel mag oordelen over het EOB.

Dilemma: onschendbaarheid of een eerlijk proces?

Het European Patent Office is een internationale organisatie. Zijn bestaan en werkwijze zijn geregeld in een internationaal verdrag, waarbij een groot aantal Europese landen partij is. De Nederlandse Staat, dus ook de Nederlandse rechter, heeft in beginsel niets te vertellen over zulke organisaties. Ambassadepersoneel en medewerkers van internationale organisaties vallen buiten de Nederlandse rechtsorde. Ze hebben diplomatieke of volkenrechtelijke onschendbaarheid. Ook al bevinden ze zich fysiek in Nederland, juridisch is dat niet (helemaal) het geval. In feite vormt de EOB-vestiging in Rijswijk een stukje buitenland binnen Nederland. Daar heeft de Nederlandse rechter of politie niets te vertellen. Ook in pakweg Brazilië, Denemarken of Tanzania is dat niet het geval. Daar is nu eenmaal iemand anders de baas.

Voor alle duidelijkheid is de onschendbaarheid van het EOB vastgelegd in artikel 3 van het Protocol bij het Europese Octrooi Verdrag, dat de vestigingsvoorwaarden voor het kantoor in Rijswijk regelt:

Within the scope of its official activities the Organisation shall have immunity from jurisdiction and execution, [...]

Nu is Nederland ook partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) . Daarin is het recht op toegang tot de onafhankelijke rechter en op een eerlijk proces vastgelegd. Artikel 6 lid 1 EVRM bepaalt:

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. [...]

En daar zit hem de kneep: als de Nederlandse rechter onbevoegd zou zijn, dan kan de bond nergens heen. Er is dan geen rechter die over de klachten van de vakbond kan oordelen. Wat gaat er voor: het recht op een eerlijk proces, of de in het internationale diplomatieke verkeer o zo belangrijke juridische onschendbaarheid?

Wat vindt de rechter?

Het Gerechtshof Den Haag doet op 17 februari 2015 uitspraak over deze vraag. Het is nog afwachten of dat het definitieve antwoord is. De zaak ligt inmiddels bij de Hoge Raad.

Maar goed, wat vindt het hof er van?

Het hof wijst op rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op een eerlijk proces.  Kort gezegd komt die erop neer dat volkenrechtelijke immuniteit een geldige reden kan zijn om het recht op een eerlijk proces in te perken. Staten mogen internationale organisaties immuniteit verlenen. Ook als dat betekent dat de rechter zich niet mag uitspreken over de gedragingen van zo’n instelling. Het Europese Hof noemde daarbij wel als voorwaarde dat de internationale organisatie een interne procedure moet hebben. Daarin moet een klacht of claim op een ordentelijke manier worden onderzocht én beoordeeld.

En daar schort het aan bij het EOB volgens het Haagse hof. Vakbonden hebben geen toegang tot de interne klachtenprocedure. Alleen individuele werknemers kunnen in beroep bij  het Internal Appeals Committee. Daarna is nog hoger beroep mogelijk bij een aan de ILO te Genève verbonden tribunaal, maar ook dat is niet toegankelijk voor de VEOB. Het gerechtshof oordeelt dat er een uitzondering moet worden aangenomen op de immuniteit van het EPO.

De rechtsbescherming voor de vakbond schiet te kort. En dat terwijl  werknemers het fundamentele recht hebben om via vakbonden invloed uit te oefenen op de arbeidsomstandigheden. Dat individuele werknemers – bijvoorbeeld de door Batistelli ontslagen vakbondsactivisten – wél toegang hebben tot de interne procedure en dan kunnen klagen over schending van hun vakbondsvrijheid vindt het hof onvoldoende.

Ook inhoudelijk krijgt de VEOB grotendeels gelijk. Het EOB legt te veel beperkingen op aan deze vakbond. De Nederlandse rechter verbiedt die. Verder wordt het bevel uitgevaardigd om de bond binnen 14 dagen toe te laten tot cao-onderhandelingen.

En toen?

Het zal niet verbazen dat Batistelli, op zijn minst toch een zonne-president, zich niet bij die uitspraak heeft neergelegd. Er is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Dat loopt nog.

Gij die hier binnentreedt laat alle hoop varen: hier geldt alleen het internationale recht...
Gij die hier binnentreedt laat alle hoop varen: hier geldt alleen het internationale recht…

Belangrijker is echter dat VEOB niets opschiet met de voor haar gunstige beslissing. Het EOB wil de beslissing niet naleven. Gewoonlijk kan de wederpartij dan de deurwaarder of desnoods de politie erbij halen om naleving af te dwingen. De Minister van Justitie zal geen executiemaatregelen tegen het EOB. Hij heeft gerechtsdeurwaarders verboden om de uitspraak ten uitvoer te leggen, schrijft de Volkskrant.

Volgens de minister mogen de Nederlandse autoriteiten de EOB-gebouwen niet eens betreden zonder toestemming van Batistelli. Laat staan dat ze er handhavend zouden gaan optreden.

Niet dus...
Niet dus…

Het komt erop neer dat Justitie het dilemma van botsende verdragsverplichtingen – immuniteit versus rechtsbescherming – anders oplost dan de rechter. De immuniteit gaat voor volgens de minister. De Nederlandse regering vindt het op zich wenselijk dat er beter met de bonden en het personeel wordt omgegaan bij het EOB. Als er al juridische verplichtingen op dat vlak zijn, dan is handhaving ervan echter geen echter zaak voor het gastland, Nederland.

Wat leren we er van?

Ook bij internationale organisaties werken gewoon maar mensen. Met verschillende inzichten en belangen. Dat leidt soms tot frictie of zelfs botsingen op de werkvloer. Tussen collega’s onderling, of tussen directie en personeel. Daarin verschilt het EPO, de VN of Interpol niet van de buurtsuper of het Ministerie van Onderwijs. Alleen in zeer, zeer uitzonderlijke gevallen is de Nederlandse rechter bevoegd om in te grijpen. Hoe uitzonderlijk precies, daarover verschillen de geleerden, de minister en het gerechtshof van mening.

In het arbeidsrecht gaat het niet alleen om gelijk hebben, maar ook om gelijk krijgen. Maar daarmee ben je er nog niet. In een internationale setting is je gelijk halen misschien nog wel belangrijker.

FacebookTwitterGoogle+Share

Fundamenteel mensenrecht

Vakantie is een fundamenteel mensenrecht. Dat vinden niet alleen overwerkte loonslaven en hun vakbonden, maar ook het Hof van Justitie van de EU. Werken is belangrijk in een mensenleven, maar ervan bij kunnen komen ook. Het Hof noemt dat de recuperatiefunctie van vakantie. rsz_p1010965

De augustusmaand is een goed moment om het eens te hebben over dit fundamentele recht.

Hoe was het ook al weer?

De EU-arbeidstijdenrichtlijn bevat onder andere een recht op 4 weken doorbetaalde vakantie per jaar. Artikel 7 van deze richtlijn bepaalt het volgende:

De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

Uit de richtlijn zelf blijkt al dat het om een stevig recht gaat. Bij andere bepalingen, zoals over nachtarbeid of maximum werktijden, kunnen de lidstaten en/of sociale partners afwijkende regels opstellen. Op niet onbelangrijke onderdelen is zelfs een opt-out mogelijk. Niets van dat al bij vakantie. Werknemers mogen, nee: moeten bijna, uitrusten. Met behoud van loon.

In Nederland is het recht op doorbetaalde vakantie geregeld in art. 7:634 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. De Nederlandse wet gaat eveneens uit van 4 weken vakantie. Tot vreugde van veel werknemers zijn er in veel cao’s extra dagen, soms zelfs weken, vakantie toegekend.  Gemiddeld hebben Nederlandse werknemers ongeveer 5 weken vakantie, met een ruime week aan doorbetaalde feestdagen er bovenop. Daarmee zit Nederland vrij dicht in de buurt van het Europese gemiddelde, zo blijkt uit cijfers uit 2014. In de VS is 3 weken de norm, trouwens.

Wat was er aan de hand?

Eind 2014 deed het Hof van Justitie van de EU uitspraak in de zaak Lock. Hierin was de vraag hoe het recht op doorbetaling van loon tijdens vakantie moet worden uitgelegd.

Sinds 2010 werkt Lock voor British Gas. Zijn functie heeft de ronkende naam internal energy sales consultant. Het komt erop neer dat hij voor British Gas klanten moet werven door energieleveringscontracten met ze af te sluiten. Met dat werk verdient hij een basissalaris van ongeveer £ 1200 per maand. Daarbovenop verdient hij provisie, afhankelijk van het aantal contracten dat hij de in de voorgaande maand heeft weten af te sluiten. De hoogte van die provisie varieert uiteraard, maar het gemiddelde over 2011 bedraagt ruim £ 1900 per maand. Meer dan de helft van Locks maandinkomen bestaat dus uit provisie.

Blijkbaar is Lock na al die verkopen toe aan een lange vakantie. Bijna heel december 2011 en een deel van januari 2012 neemt hij vrij. In december krijgt hij nog de provisie over de verkopen in de maand november betaald, maar liefst £ 2350. In januari ontvangt hij alleen zijn basisloon, omdat hij in december nu eenmaal geen nieuwe klanten heeft binnengehaald.

Dat maakt de welverdiende vakantie toch wat minder leuk. Lock stapt naar de rechter. Hij eist doorbetaling van zijn volledige salaris, inclusief de variabele provisie dus. De vraag is dus of vakantie tot verlies van provisie en andere variabele beloning mag leiden. De Britse rechter legt deze vraag voor aan het EU-Hof.

Wat vindt het Hof ervan?

Het Hof stelt voorop dat het recht op vakantie van heel groot gewicht is. Het is zelfs een belangrijk beginsel van sociaal recht van de Europese Unie. Bovendien is het vastgelegd in art. 31 van het Handvest van Grondrechten van de Europese Unie.

quoteVerder oordeelt het Hof dat werknemers tijdens vakantie hun normale loon moeten ontvangen. Daarbij verwijst het naar de zaak Robinson-Steele, waarin dat ook al was gezegd. In deze uitspraak had het Hof beslist dat de werknemer het recht op bepaalde toeslagen (voor bijvoorbeeld overwerk, ploegendienst, buitenlandverblijf) behoudt tijdens vakantie. Ook als hij niet overwerkt, ploegendienst verricht of in het buitenland zit.

De werkgever meent dat aan dat het normale loon is voldaan aan de werknemer. In december was de november-provisie netjes uitbetaald en in januari het basisloon.

Het Hof ziet dat toch wat anders. Door vakantie te nemen loopt de werknemer een maand later provisie mis. Dat levert een aanzienlijk financieel nadeel op. Het gevolg zou kunnen zijn dat werknemers daarom geen (of minder) vakantie opnemen. Om deze inkomensterugval te voorkomen kunnen ze ervoor kiezen om zo veel mogelijk door te werken. Volgens het Hof is het in strijd met de Richtlijn als werknemers uit vrees voor financieel nadeel afzien van vakantie. Zij moeten daadwerkelijk vakantie op kunnen nemen. Het is essentieel dat de recuperatiefunctie van vakantie écht tot uitvoering wordt gebracht. Werknemer mogen daarom niet gehinderd worden door financiële overwegingen.  Dat het nadeel in dit geval pas te voelen is na afloop van de vakantie doet volgens het Hof niet ter zake. Later komt de kater, en dat is erg genoeg voor het Hof.

Knipsel kater

Daarom valt het variabele loon, zoals provisie, ook onder het normale loon. De werkgever moet dat deel van het loon niet alleen doorbetalen. Hij moet er ook voor zorgen dat de werknemer het recht daarop blijft opbouwen tijdens vakantie.

Zijn er nog vragen?

Het Hof laat een aantal vragen nog wel onbeantwoord. Zo is in dit geval aan de Britse rechter overgelaten hoe de hoogte van het normale loon precies moet worden berekend. Moet dat aan de hand van de gemiddelde provisie over het afgelopen kwartaal, half jaar of jaar?

Vakantieloon: een ingewikkelde berekening!calculerende werkgevers?
Vakantieloon: een ingewikkelde berekening!

Maakt het nog verschil of de werknemer een snipperdagje neemt of, zoals hier, weken met vakantie gaat? Een dagje vrij zal de provisie niet of nauwelijks drukken, dus moet de werkgever dat ook compenseren? En zo ja: hoe dan? Hoe om te gaan met een omzetafhankelijke eindejaarsbonus? Die is lager als de werknemer niet het hele jaar werkt door af en toe vrij te nemen, maar moet de werkgever dat regelen? En hoe zit het als de werknemer niet op omzet of aantal klanten wordt afgerekend, maar op het behalen van wat meer abstracte ‘targets’? Stel dat een werknemer ten minste drie projecten moet afronden om in aanmerking te komen voor een eindejaarsbonus. Kan die dan ook beweren dat die eis hem van vakantie kan afhouden?

De vraag is ook nog hoe groot en direct het inkomenseffect van vakantie moet zijn voordat de werkgever reparatiemaatregelen moet gaan treffen. In dit geval waren de gevolgen van het opnemen van vakantie heel groot. Lock verloor ruim 60% van zijn gebruikelijke maandsalaris. Zelfs de meest oncalculerende werknemer denkt dan nog eens twee keer na voordat hij naar een zonnige bestemming afreist. Maar welke werknemer blijft er op een zonnige augustusdag werken alleen omdat hij dan een ietsiepietsie lagere eindejaarsuitkering krijgt?

rsz_imag0189[1]

Nu zegt het Hof niet voor niet als eerste dat doorbetaalde vakantie en recuperatie van wezenlijk belang zijn. Dat geeft richting bij het beantwoorden van deze vragen. Ook aan het recht op vakantie met behoud van loon zijn er ongetwijfeld grenzen. Maar die zijn niet snel bereikt.

Wat leren we ervan?

Vakantie is een fundamenteel mensenrecht binnen de Europese rechtsorde. Werknemers moeten worden gestimuleerd om van dat recht gebruik te maken. Daarom moet het begrip ‘normaal loon’ ruim worden uitgelegd. De werkgever moet zelfs het negatieve effect van vakantie op prestatieafhankelijke looncomponenten compenseren. Hoe ver die compensatieplicht (of opbouwgarantie) gaat is nog niet helemaal duidelijk.

Werknemers hebben recht – een fundamenteel mensenrecht zelfs – op onbezorgde vakantie. Dat recht op zorgeloosheid realiseren kost de werkgever, de rechter en de wetgever echter de nodige hoofdbrekens.

FacebookTwitterGoogle+Share

Geloof, hoop en liefde

Zo rond Valentijnsdag duiken rode rozen en pluchen harten op in de etalages. Hopelijk duikt er dan ook wat liefde op in mensenharten, met de bijbehorende warme gedachten aan een ander. Cynici beweren dat deze dag een groot door middenstanders en de posterijen georganiseerd complot is.

Valentijn

Of je nu cynisch bent of niet, het kan niet worden ontkend dat liefde in het arbeidsrecht niet altijd even feestelijk en romantisch uitpakt. Wie alleen afgaat op de gepubliceerde rechtspraak, krijgt misschien toch de indruk dat liefde vooral leidt tot kopzorgen. En als het even tegenzit tot  ontslagprocedures. Ik blogde daar een jaar geleden ook al over.

Een duidelijk voorbeeld levert de uitspraak van de Kantonrechter Heerlen van 14 maart 2003, JAR 2003/96. Hoewel de betrokken werknemers deze zaak over liefde op het werk wonnen, toch een waarschuwing. Het navolgende is toch weer vooral een juridisch verhaal, met conflicten, ruzie en ellende. Wie rozengeur en maneschijn prefereert dezer dagen, is deze week in dit blog aan het verkeerde adres.

Wat was er aan de hand?

Al sinds 1981 is een werknemer in dienst bij een verzorgingstehuis voor oudere katholieke geestelijken. Het tehuis wordt geëxploiteerd door de welluidend genaamde Congregatie De Kleine Zusters van de H. Joseph. De werkzaamheden verlopen kennelijk naar volle tevredenheid. De werknemer werkt er ruim 22 jaar. Hij is inmiddels opgeklommen tot Hoofd Personeelszaken.

Verder is een directiesecretaresse werkzaam voor het tehuis, net als haar man. Die is medewerker van de technische dienst.

Tot zover is er eigenlijk niets aan de hand.

Totdat tussen het Hoofd Personeelszaken en de directiesecretaresse de vonk overslaat. Ze krijgen een relatie. Eind januari 2002 biechten ze dat aan hun echtgenoten op, enkele dagen later ook aan de leidinggevenden en (andere) collega’s. Het loopt voor beide werknemers uit op een echtscheiding. De ex-man van de secretaresse trekt zich het gebeurde allemaal zeer zwaar aan. Hij stort compleet in en raakt langdurig arbeidsongeschikt.

Het stel wil een nieuwe frisse start maken. Ze gaan al snel samenwonen. Eind april volgt er een domper voor hun prille geluk.

Zo gaan we hier niet met elkaar om!

Bestuur en directie van het tehuis schrijven een brief waarin hun relatie als ontoelaatbaar wordt bestempeld. Deze heeft tot een verstoring van de verhoudingen op de werkvloer geleid. Spanningen, roddel en achterklap. En dat binnen een betrekkelijk kleine organisatie. Het is niet te vermijden dat het nieuwe koppel én de collega’s die zich aan de verwikkelingen storen met elkaar moeten blijven werken. Ontslag is onvermijdelijk.

Nog belangrijker is misschien dat het hebben van buitenechtelijke relaties niet direct goed aansluit bij de levensbeschouwelijke signatuur van de organisatie. Het is een katholieke instelling. En dat niet alleen: in het verzorgingstehuis worden nu juist oudere religieuzen verzorgd. Die zullen dit soort gedrag zeker niet goedkeuren.

In de brief wordt het stel dus al duidelijk de wacht aangezegd. Korte tijd later moeten de werknemers verschijnen op een bestuursvergadering. Het wordt een nogal zure sessie. Het aanknopen van een buitenechtelijke relatie kan echt niet, zo wordt hen nogmaals te verstaan gegeven. Ze zijn dan ook niet te handhaven en ontslag moet volgen.  Dit alles wordt hen meegedeeld, gelegenheid voor een weerwoord is er niet. Wel wordt ze nog wel gezegd dat er op hun functioneren niets valt aan te merken.

De werkgever wil dat de werknemers op zoek gaan naar ander werk. Ze krijgen via de huisdavocaat een beëindigingsovereenkomst aangeboden.

Als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks…

De werknemers gaan niet in op deze toch overduidelijke hints. Kennelijk is er al genoeg veranderd in hun leven. Ook nog een nieuwe baan zou blijkbaar te ver gaan. Ze blijven aan de slag bij het verzorgingstehuis.

Omdat ‘vrijwillig’ vertrek uitblijft, stapt de werkgever enkele maanden later naar de rechter. Deze moet de arbeidsovereenkomst ontbinden. De werkgever betoogt dat er sprake is van onwerkbare verhoudingen en dat het hebben van buitenechtelijke relaties niet te verenigen valt met de levensbeschouwelijke identiteit van de werkgever (en die van de bewoners).

De rechter gaat niet mee in het betoog van de werkgever. Het bestaan van werkelijk onhoudbare spanningen op de werkvloer vindt hij niet aannemelijk. De werknemers hebben immers vele maanden lang doorgewerkt nadat hun relatie bekend was geworden. Op hun functioneren had de werkgever ook niets aan te merken. Dat wijst er niet echt op dat er sprake is van een werkelijk geen moment langer te tolereren noodtoestand.

Ook oordeelt de rechter dat privé-relaties een privé-zaak zijn. Daar heeft de werkgever niets mee te maken. Het klinkt niet echt romantisch, maar toch sijpelt er wel enige rozengeur door in deze overweging:

De kantonrechter is van oordeel dat het aangaan van een affectieve relatie een fundamentele burgerlijke vrijheid van ieder individu is, tenzij de wet deze vrijheid inperkt, zoals in titel XIV boek 2 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechter ziet in dit geval geen aanleiding om een uitzondering aan te nemen op de regel dat relaties privé zijn. Ook de signatuur van de werkgever maakt dat niet anders. De rechter acht zich niet bevoegd om te beoordelen of en in hoeverre de katholieke indentiteit zich verzet tegen voortzetting van de arbeidsrelatie. Dat is niet een zaak van de rechter, maar van de kerk. Het morele oordeel over echtbreuk is niet aan aardse autoriteiten als kantonrechters, maar aan hogere instanties.

Wat leren we ervan?

Liefde en relaties zijn een privé-zaak. Ook als het om collega’s gaat. Alleen bij hoge uitzondering mag de werkgever zich daar in mengen. Dat een werkgever er een andere visie op huwelijkstrouw op na houdt dan de werknemer maakt dat niet zonder meer anders. Ook niet als het om een werkgever met een religieuze signatuur gaat.

De uitspraak suggereert wel dat er grenzen zijn. Relaties kunnen tot onwerkbare verhoudingen leiden. Zeker wanneer, zoals hier, een werknemer er met de partner van een collega vandoor gaat. Er zijn in de rechtspraak dan ook gevallen bekend waarin het oordeel van de rechter in het nadeel uitpakt van werknemers die een affaire krijgen met een collega. Dat overkwam bijvoorbeeld een werknemer van een orgelbouwer die iets kreeg met de vrouw van een collega, zo blijkt uit een recente uitspraak van de Haarlemse kantonrechter.

Het verschil is waarschijnlijk dat het hier om een veel kleiner bedrijf ging dan het verzorgingstehuis. De direct betrokken werknemers konden elkaar daar echt niet ontlopen. Een ander belangrijk verschil is dat de werkgever niet pas na een paar maanden probleemloos doorwerken ging beweren dat de verhoudingen totaal verziekt waren. Min of meer probleemloos dan, want niet vergeten mag worden dat een werknemer, de ex-man, wel inmiddels ziek thuis zat.

Aan de andere kant: de werkgever liet het allemaal wel op zijn beloop. Het Hoofd PZ en de secretaresse mochten gewoon doorwerken. Werkgevers die niet snel ingrijpen, met overplaatsing, schorsing of ontslag, hebben het dus lastig om later aan te tonen dat de werknemer werkelijk intolerabel wangedrag heeft laten zien. Blijkbaar nam de werkgever het aanvankelijk toch niet zo hoog op.

Kortom: ook in het arbeidsrecht is de liefde geen roos zonder doornen.

Zijn rozen vervangbaar door cactussen?
Toch zeg ik: Ja rozen!
FacebookTwitterGoogle+Share

Smullen

Slavernij klinkt als iets dat gelukkig heel ver weg is. Lang geleden bestond dat bij ons. En als het nog steeds bestaat, dan is dat in verre enge landen. Dat is helaas toch niet helemaal waar. Uitbuiting, dwangarbeid en mensenhandel vinden ook in de 21e eeuw, helemaal niet zo ver bij ons vandaan plaats. Bijvoorbeeld in hartje Den Haag. Niet in een van de allerbeste buurten, maar wel middenin een woonwijk, aan de rand van de dagelijks door duizenden bezochte markt. De Haagse rechtbank deed op 3 mei 2010 uitspraak in deze letterlijk en figuurlijk onsmakelijke slavernij-zaak.

Hét adres voor kroepoek en kakkerlakken
Hét adres voor kroepoek en kakkerlakken

Kroepoek en kakkerlakken

Na klachten van buurtbewoners vallen de politie en de SIOD binnen in een woonhuis. Op de verdieping waar de eigenaar en zijn gezin wonen treffen ze niet zo gek veel bijzonders aan, behalve een enorme voorraad kroepoek en bananenchips. Op de bovenverdiepingen en zelfs op het dak vinden ze 17 Indonesiërs zonder verblijfspapieren. Verspreid door het bovenhuis liggen matrassen in verschillende kleine kamertjes. Tussen de matrassen en de rondslingerende kleren krioelen kakkerlakken en muizen rond. Op de op maximale stand opengedraaide radiatoren liggen kroepoek en chips te drogen. In het naastgelegen bedrijfspand is een toko gevestigd. Achter deze winkelruimte bevindt zich een grote, al in tijden niet schoongemaakte, keuken. In grote wokken worden daar kroepoek en chips gebakken.

In dit bovenhuis was het bepaald niet pluis...
In dit bovenhuis was het bepaald niet pluis…

Met zo veel bewoners en met de verwarming op 10 is het niet verrassend dat de binnentemperatuur is opgelopen tot zo’n 50 graden. De elektrische bedrading ligt bloot en is kriskras provisorisch door de bovenverdiepingen getrokken. Er is op die verdiepingen maar één wc en één douche, met een rotte vloer bovendien.

In een weliswaar wat levendige maar verder doodnormale straat was dus een illegaal kroepoekatelier annex torrenpension gevestigd. Uit het onderzoek blijkt dat verschillende toko’s en restaurants in en om Den Haag hun heerlijkheden hier betrokken. Wie in deze regio wel eens heeft gerijsttafeld heeft nu, een paar jaar later, misschien bij nader inzien toch nog een een raar nasmaakje.

PROCESVERBAAL-In-deze

En ook de arbeidsvoorwaarden waren slecht…

Uit de verhoren van de 17 blijkt dat ze tegen betaling van grof geld naar Nederland zijn gesmokkeld. Al hun spaargeld hebben ze daaraan besteed. Soms hebben ze zelfs land of vee van hun familie moeten verkopen. Ze zitten diep in de schulden, of zijn op zijn minst al hun geld kwijt. Een tussenpersoon heeft hen gouden bergen beloofd. Werk en rijkdom zouden hen wachten in Portugal, Spanje of Frankrijk. Dat loopt dus anders. Ze komen in Nederland, in het verkrotte kroepoekatelier terecht. Daar worden ze aan het werk gezet.
Met het draaien van een 15-urige werkdag in de hitte en tussen de kakkerlakken, slechts onderbroken door een hele korte pauze, verdienen ze 25 euro. Ze mogen maximaal 8 dagen per maand werken. Uiteraard moeten ze de baas wel huur betalen, voor een kaal matras in een kamer die ze met z’n drieën of vieren delen. Die huur bedraagt zo’n 125 euro per maand, zodat ze nauwelijks geld overhouden. Beddengoed en eten moesten ze zelf betalen.

De kroepoekbakkers zeggen dat ze vrij waren om te vertrekken. Ze bleven echter, omdat ze bang waren geen werk of onderdak te vinden. Ze zaten immers zonder papieren, geld of kennissen in een ver land.

Het verhaal van de huisbaas

De huisbaas verklaart tegenover de politie dat de kroepoekbakkers onder mensonterende omstandigheden woonden en werkten. Hij wist ook dat ze zich in de schulden hadden gestoken om naar Nederland te komen. En dat ze zeer afhankelijk van hem waren. Terug naar Indonesië konden ze niet en in Nederland wisten ze de weg niet.

Maar ja, hij was nu eenmaal gesmeekt om te zorgen voor de opvang van illegalen. Hij wilde hen een beetje helpen, door ze een baan en onderdak te bieden. Meer loon, laat staan het wettelijk minimumloon, betalen was echt niet mogelijk. Op die manier zou er geen winst overblijven.

Moderne slavernij

De rechtbank beschouwt de huisbaas in feite als een slavenhouder. Hij wordt veroordeeld tot een forse gevangenisstraf wegens mensenhandel. Dat houdt in dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van de Indonesiërs en hen zo heeft gedwongen tot werkzaamheden, met de bedoeling hen uit te buiten.

Formeel waren de kroepoekbakkers dan wel vrij om te vertrekken, maar feitelijk konden ze geen kant op, als illegalen zonder geld in een vreemd land. Ze kregen letterlijk een hongerloontje betaald, waar ze net aan de huur en hun eten mee konden betalen. In ruil voor die schamele centen moesten ze hele lange werkdagen maken. Dat ze zo weinig overhielden was ook precies de bedoeling, want dan bleven ze afhankelijk van het kroepoekatelier.

De rechtbank is van oordeel dat de huisbaas de kroepoekbakkers uit puur winstbejag heeft gedwongen om onder mensonterende omstandigheden te werken. Moderne slavernij dus.

Wat leren we ervan?

Slavernij, al heet dat dan nu mensenhandel, bestaat nog steeds. Ook achter de voordeur van een doodnormale portiekwoning in Nederland. Het verschil met vroeger is gelukkig wel, dat het nu verboden is. Het verwerpelijke aan slavernij is dat het mensen reduceert tot gebruiksvoorwerp, ontdaan van menselijke waardigheid. Zo is ook in dit geval met de kroepoekbakkers omgegaan. Ze lagen niet letterlijk aan de ketting, en de huisbaas was juridisch gezien niet hun eigenaar, zoals de slaven van weleer. Feitelijk bevonden ze zich echter wel in een uitzichtloze toestand van onvrijheid. En alsof dat op zichzelf niet erg genoeg is, kregen ze te maken met mensonterende leef- en arbeidsomstandigheden.

Ook aan de groezelige randen van de samenleving gaat wezen voor schijn. Op papier zijn de bakkers vrij en hebben ze een arbeidsovereenkomst en een huurovereenkomst die ze op elk moment kunnen beëindigen. In werkelijkheid is er van die keuzevrijheid geen sprake, maar van een moderne variant van slavernij.

 

FacebookTwitterGoogle+Share

Actie, actie!

In Nederland wordt 1 mei, de dag van de arbeid, niet uitbundig gevierd. Dat bleek gisteren ook maar weer eens. Het is eigenlijk al heel wat als het gevierd wordt. Het feest van de arbeidersbeweging is in andere landen wél aanleiding voor festiviteiten. Vaak is het een vrije dag. En soms vinden er zelfs stakingen, demonstraties en rellen plaats.

In polderland Nederland verloopt het allemaal wat rustiger. Meer in het algemeen doet Nederland kalmpjes aan. In het buitenland worden het openbare leven of hele takken van de industrie met enige regelmaat met stakingen platgelegd. Hier wordt er weinig en niet zo lang gestaakt. Meestal komen werkgevers en werknemers er in harmonieus onderling overleg wel uit.

Treinen zijn smoezelig
Treinen zijn smoezelig

Treinreizigers zullen het er echter misschien niet mee eens zijn dat het helemaal meevalt hier. Schoonmakers bij de NS zijn al een tijdje aan het staken. Het wordt een steeds grotere smeerboel in de trein. Relatief weinig staken kan toch best veel zijn, als je elke dag in een smerige coupé moet zitten.

En de schoonmakers zijn niet de enigen die de laatste tijd actie voeren. Gemeenteambtenaren en vrachtwagenchauffeurs zijn bijvoorbeeld ook bezig. Een verklaring is dat de economie aantrekt en vakbonden weer ruimte zien voor salariseisen.

Stakingen zijn schadelijk en hinderlijk. Dat is ook precies de bedoeling. Ze zijn een drukmiddel om concessies van werkgevers af te dwingen. Vanwege die schade en hinder  wordt vaak geprobeerd om de rechter de staking te laten verbieden.

Een voorbeeld is de, zoals dat toen nog heette, koninginnenach-staking van 2010. De zaak werd vlak voordat de staking zou beginnen in een spoedprocedure behandeld, op 27 april 2010. En een dag later velde de rechter al zijn oordeel  (JAR 2010/157). Nu de dag van de arbeid weer onopgemerkt voorbij is gegaan, leek me dit een goed moment om aan deze zaak aandacht te besteden.

Meer loon, anders wordt het een grote troep

Vanaf de zomer van 2009 voerden ambtenarenbonden en gemeentes overleg over de arbeidsvoorwaarden. Daarover kunnen ze het maar steeds niet eens worden. De onderhandelingen slepen zich maandenlang voort. Partijen komen nauwelijks tot elkaar. De bonden gaan in april 2010 dreigen met acties, maar zonder resultaat. Vervolgens mailen ze een ultimatum aan de gemeente-onderhandelaars. Vanaf 28 april middernacht tot 30 april middernacht zullen de medewerkers van het Haagse straatveegbedrijf het werk neerleggen.

Die data zijn niet toevallig gekozen. Het komt er in feite op neer dat de ambtenaren weigeren om de troep die in de binnenstad achterblijft na een koninginnenach op te ruimen. Dat evenement werd altijd goed bezocht en na afloop lag de stad bezaaid met afval. En dat terwijl er dan de dag erna, koninginnedag, overdag allerlei vrijmarkten, kermissen en andere festiviteiten worden georganiseerd. In 2010 verwachtte de gemeente bijna een kwart miljoen bezoekers voor de maar liefst 33 evenementen. Dat alles levert 120 kubieke meter afval op.
Er wordt een week van te voren nog koortsachtig overleg gevoerd. Dat leidt wederom tot niets. De enige concessie die de bonden doen is dat ze veegploegen op afroep beschikbaar zullen houden voor als er een noodsituatie zou zijn.  De staking is dus aanstaande.

ULTIMATUM

Maar dit gaat te ver!

Tegen de bonden wordt een kort geding aangespannen. De gemeente wil een verbod op de stakingsactie. Het gevaar voor de openbare orde en de overlast voor het publiek is te groot. In feite willen de bonden de viering van de koninginnenach en -dag ontwrichten, zo zegt de gemeente. Feestgangers kunnen zich verwonden aan rondslingerend glas. Afvalhopen leveren brandgevaar op en kunnen de weg blokkeren voor hulpdiensten als brandweer en ambulances.
En dat allemaal terwijl deze acties helemaal niet nodig zijn. Er is nog ruimte voor overleg. De gemeentes zijn daartoe, nog steeds, van harte bereid. Dat heeft de VNG ook in persverklaringen namens de gemeentes laten weten. Ook de vakbonden hebben optimistische verklaringen uitgegeven. De stakingsacties zijn volgens de gemeente prematuur.

De staking is dus eigenlijk niet nodig en de mogelijke schade is erg groot. Alle reden dus om deze nutteloze en gevaarlijke actie te verbieden. Al wil de gemeente zeker niet ontkennen dat werknemers, ook gemeenteambtenaren, in beginsel het recht hebben om te staken.

De rechter ziet het anders

De rechter kijkt er totaal anders tegenaan. Behalve dan dat er een recht om te staken bestaat. Hij ziet echter geen aanleiding om een uitzondering op dat recht aan te nemen.
Het argument dat de acties prematuur zijn, wordt vrij simpel van tafel geveegd. De onderhandelingen hebben immers al maanden en maanden geduurd. Dat de gemeentes en de bonden inmiddels zeggen weer wat ruimte te zien, is waarschijnlijk juist het gevolg van de actiedreiging. Verder is niet gebleken dat de bonden de gemeente te laat hebben gewaarschuwd voor de acties.

De andere argumenten kunnen op meer begrip rekenen. Op zichzelf zijn ze valide. Staken mag de openbare orde, de volksgezondheid en gerechtvaardigde belangen van derden niet te ernstig aantasten. Alleen ziet de rechter de door de gemeente voorspelde apocalyptische smeulende afvalbergen niet direct ontstaan. Er is een risico, maar dat is niet overdreven groot. Staken is nu eenmaal een fundamenteel recht. Daarom mag het niet zo maar, wegens een mogelijk gevaartje op ellende, worden beperkt.

dreigende afvalhopen of alleen normale troep?
dreigende afvalhopen of alleen normale troep?

Van belang is ook dat de bonden hebben toegezegd om schadebeperkende maatregelen te treffen. Er worden extra afvalbakken neergezet. Er worden verschillende piketploegen schoonmakers achter de hand gehouden om bij dreigende noodsituaties alsnog de boel op te ruimen. En de stakers zijn bereid om, direct na afloop van de acties, al ’s nachts te beginnen met schoonmaken in plaats van ’s ochtends. De rechter verzucht ook nog dat de bezoekers van de evenementen het kennelijk normaal vinden om hun troep op straat te gooien. Zij mogen dan in ieder geval niet klagen over overlast.
Verder acht de rechter van belang dat de actie betrekkelijk kort duurt, een dag. En dat de bezoekers van de vrijmarkten niet door hopen afval hoeven te waden, omdat die markten op andere plaatsen worden gehouden dan de nachtelijke concerten.

De acties gingen dus door. De straten van Den Haag zijn inderdaad erg vies geworden. Maar of dat nu veel viezer was dan normaal?

Wat leren we ervan?

Staken is een grondrecht. Zowel van werknemers als van ambtenaren. De rechter gaat daarom terughoudend om met zijn bevoegdheid om acties te verbieden. Stakingen kunnen te bedreigend zijn voor belangen van derden, de openbare orde of de volksgezondheid. Dat wordt echter niet gemakkelijk aangenomen. Als een staking niet schadelijk zou zijn, zou er bovendien ook weinig dreiging vanuit gaan.  Werkgevers schrikken natuurlijk niet van ludieke publieksvriendelijke acties.

Vakbonden moeten zich bij het organiseren van stakingen wel aan bepaalde spelregels houden. Zo moet de werkgever tijdig worden gewaarschuwd. Deze kan dan maatregelen treffen om de schade binnen de perken te houden. Of de staking voorkomen door een beter bod te doen in de onderhandelingen.

Verder blijkt uit deze uitspraak dat wanneer de openbare orde en andere publieke belangen spelen, van de bonden wordt verwacht dat zij preventieve maatregelen treffen. De schade mag niet te ernstig worden. Aan de andere kant blijkt wel dat de rechter heel nauwgezet nagaat of die gevaren wel reëel zijn. De werkgever die claimt dat de gevaren groot zijn, moet dat verhaal hard kunnen maken. Dat is lang niet altijd makkelijk.

Advocaat-Generaal Koopmans schreef ooit in een conclusie dat hij moeite heeft met het vaak door werkgevers gebruikte argument van dreigende maatschappelijke ontwrichting. Zeker bij stakingen die hooguit enkele uren of dagen duren, zoals meestal het geval is in Nederland. Maatschappelijke ontwrichting is wat hij meemaakte als inwoner van Amsterdam in de hongerwinter. Een vertraagde of vieze trein, of een middag geen busvervoer, hoe vies en vervelend ook, zijn dat niet.  Wat rondslingerende stinkende rotzooi in de binnenstad op 30 april, die  bovendien op de dag van de arbeid direct al weer wordt opgeruimd, evenmin.

Het Nederlandse stakingsrecht komt er gek genoeg op neer dat werknemers rotzooi mogen trappen voor een betere cao, mits dat op een evenwichtige, keurig nette manier gebeurt.

FacebookTwitterGoogle+Share