Monthly Archives: May 2014

The only way is up

Ziek zijn is vervelend. Niet alleen voor de patiënt en zijn naasten. Veel werkgevers zuchten onder de plichten die ze hebben bij ziekte van hun werknemers. Het loon moet twee jaar lang worden doorbetaald. En er moet hard gewerkt worden aan re-integratie. Dat is niet voor niets. Laten we niet vergeten dat juist de zieke werknemer het niet makkelijk heeft. Inkomensbescherming en re-integratie zijn van wezenlijk belang. Dat neemt niet weg dat degene die daarvoor moet zorgen, de werkgever dus, daar begrijpelijkerwijs niet altijd op zit te wachten.

Dat werkgevers ‘last kunnen hebben’ van ziekte valt na te lezen in mijn eerdere blog Alles of niets. Maar ook de uitspraak van het Amsterdamse Gerechtshof (21 juli 2009, USZ 2009/345) over een zieke service-medewerker die werd omgeschoold tot torenkraanmachinist toont dat aan.

Overal om me heen is ruimte...
Overal om me heen is ruimte…

Het hogerop zoeken

Een service-medewerker meldt zich in de zomer van 2006 ziek met rugklachten. Wat dat werk precies inhoudt, is niet duidelijk. In ieder geval kan hij het met zijn rug niet meer aan. Hij heeft daar al eerder last van gehad. Het is dan ook de vraag of het verstandig is om hem terug naar het eigen werk te begeleiden. In de herfst biedt de werkgever hem tijdelijk ander werk aan. De werknemer hervat als portier/poortwachter. De Wet verbetering poortwachter, die inhoudt dat zieke werknemers passend werk moeten krijgen zo lang ze hun eigen werk niet kunnen doen, wordt in dit geval dus wel heel letterlijk opgevat.

Blijkbaar is portier het ook niet helemaal. De werkgever spreekt met de werknemer af dat hij tot torenkraanmachinist wordt omgeschoold. De hoogte, de blauwe lucht om je heen, geen zeurende collega’s naast je: kennelijk vindt de service-medewerker dat wel aantrekkelijk. De werkgever heeft er ook voordeel bij. Voor dat werk werden tot dan toe ongetwijfeld dure losse krachten ingehuurd. Een vaste kracht als machinist kost ook veel minder gedoe en geregel.

In februari 2007 wordt de ziekteverzuimbegeleiding gestaakt. De werknemer gaat in opleiding tot kraanmachinist. Daarnaast blijft hij werken, hij doet allerlei voorkomende klusjes. De opleiding gaat in ieder geval goed. Al na een half jaar heeft hij de benodigde torenkraancertificaten behaald. Per oktober 2007 gaat hij 40 uur per week werken op de torenkraan. Eind november vindt een eerste functioneringsgesprek plaats. ‘Geen bijzonderheden’, zo zou dat kunnen worden samengevat.

Maar dan…

Er zou geen rechtszaak zijn geweest, als er dan toch niet iets mis zou zijn gegaan. Het jaar 2008 begint slecht voor de werknemer. De rugklachten verergeren. Hij kan nu ook niet meer op de torenkraan werken. De werknemer meldt zich weer ziek.
De werkgever gaat vervolgens rekenen. De werknemer is in juni 2006 ziek geworden. Na twee jaar, in juni 2008, is de periode dat de werkgever loon moet doorbetalen bij ziekte dus verstreken. Volgens het schriftelijke contract is de functie van de werknemer nog steeds service-medewerker. Voor dat werk is hij voortdurend ongeschikt geweest. Dat hij een paar maanden portier is geweest, klusjes heeft gedaan en daarna op de torenkraan is gaan werken, maakt dat niet anders. Dat was allemaal passend, re-integratiebevorderend werk. Maar niet het eigen werk, of de bedongen arbeid zoals de wet (artikel 7:629 BW) dat noemt. En dat is beslissend. Een werknemer die het eigen werk om gezondheidsredenen niet kan of mag doen is arbeidsongeschikt. Ook al kan hij allerlei andere dingen wél. De werkgever stopt de loondoorbetaling in juni 2008.

ARBEIDSOVEREENKOMST

De werknemer is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij torenkraanmachinist is geworden. De ziekte is volgens hem pas in januari 2008 begonnen. In het najaar ging het prima op de kraan. De werknemer start een kort geding. Dat duurt nog best lang. De kantonrechter geeft hem gelijk, maar de werkgever gaat in hoger beroep bij het gerechtshof.

Welk werk is het eigen werk?

Het hof komt voor de vraag te staan of de werknemer nog steeds service-medewerker is of torenkraanmachinist. In het eerste geval is hij al meer dan twee jaar ziek, en hoeft de werkgever niet langer te betalen. In het tweede is een nieuwe loondoorbetalingsperiode van twee jaar begonnen, hoewel het om hetzelfde medische probleem gaat en de werkgever al eerder heeft doorbetaald.

Volgens het hof is de werknemer kraanmachinist geworden. Niet beslissend is dat nooit expliciet is afgesproken dat de werknemer zijn service-medewerkerschap daarvoor heeft ingeruild. Dat er geen nieuw schriftelijk contract is opgesteld evenmin. Uit de feitelijke gedragingen van partijen leidt het hof af dat beide partijen ervan uitgingen dat het werk op de torenkraan de bedongen arbeid was geworden.

Relevant is dat wél is afgesproken dat de werknemer zou worden omgeschoold tot kraanmachinist, en dat dat vervolgens ook is gebeurd. In feite kon de werknemer ook niet meer terug naar zijn oude baan. De werknemer is verder sinds begin 2007 niet meer als zieke werknemer behandeld door de werkgever. De verzuimbegeleiding is gestaakt. De werknemer is feitelijk én fulltime aan de slag gegaan als machinist en heeft in dat werk zonder problemen gefunctioneerd. Hij kreeg toen ook te maken met een functioneringsgesprek en niet met een re-integratievoortgangsgesprek. Ten slotte ging het niet om een of ander aanvullend opvulbaantje, maar om werkzaamheden waar de werkgever structureel behoefte aan had.

Wat leren we ervan?

Wezen gaat voor schijn, ook bij re-integrerende werknemers. De bedongen arbeid kan stilzwijgend wijzigen. Zelfs al staat er nog wat anders op papier. En dat kan leiden tot een nieuwe loondoorbetalingsverplichting als de werknemer die nieuwe bedongen arbeid ook niet meer aankan.

Dat de zieke werknemer ander werk verricht is onvoldoende om te concluderen dat het contract is gewijzigd. Daar zijn aanvullende argumenten voor nodig. Bijvoorbeeld: langdurig goed functioneren in dat werk, omscholing en het structurele karakter van het werk.

In feite is de vraag of de werknemer nog aan het re-integreren is, of definitief een nieuwe plek heeft gevonden. Een heel belangrijke vraag is dan ook of terugkeer naar het oude werk nog mogelijk is. Is dat niet het geval, dan ligt de conclusie dat het de bedoeling is om de werknemer blijvend in de andere functie tewerk te stellen voor de hand.

Share

Franje

Over ambtenaren bestaan vooroordelen. Die er kort gezegd op neer komen dat ze achter hun bureau zitten te niksen tot de klok vijf uur slaat. Naar buiten kijkend, langs hun al of niet verlepte geraniums.

Die vooroordelen zijn natuurlijk zwaar overtrokken. Er zijn vast zo hier en daar ‘raam-ambtenaren’ te vinden. Dat is zeker niet het algemene beeld. Bovendien: ook in de marktsector willen werknemers lummelen en klokkijken. Zaagmans die op woensdag de week doormidden zaagt, is niet alleen op overheidsburelen een populaire verschijning.
Verder kunnen werkzaamheden op kantoor ook zwaar zijn. De belasting is misschien meer psychisch dan fysiek van aard, maar vermoeiend is het wel. Zeker als je ’s avonds thuis ook nog de mail gaat bijhouden en stukken gaat lezen. Sterker nog: zittend werk kan ook een lichamelijke belasting zijn. Dat is namelijk helemaal niet zo gezond. Overgewicht, RSI en rugklachten kunnen het gevolg zijn van langdurig zittend werk.

Nu kun je de risico’s van een zittend ambtenarenbestaan ook wel weer overdrijven. Recent was er een zaak over de vraag of stoelmassage voor ambtenaren van het ministerie van Justitie noodzakelijk was of wel mocht worden afgeschaft. Op 28 oktober 2013 deed de Haagse Kantonrechter uitspraak over deze kwestie.

rsz_p1000712

Leuke dingetjes voor het personeel

In 2006 besluit het ministerie de subsidie op het bedrijfsrestaurant stop te zetten. De Ondernemingsraad (OR) gaat daarmee akkoord. De leiding van het departement heeft immers toegezegd dat het bespaarde geld – €250.000 – wordt ingezet voor het personeel. Leuke dingetjes en voordeeltjes, ter compensatie van de weggevallen subsidie. Overigens is het een niet heel erg harde toezegging. De OR spreekt zelf van een ‘gentlemen’s agreement’.
Een van de faciliteiten voor het personeel is stoelmassage. Medewerkers van het departement kunnen achter hun bureau massages krijgen. Dat schijnt lekker te zijn. En mogelijk helpt het om klachten te voorkomen.
In 2011 is met Helder Werk een raamovereenkomst stoelmassage aangegaan om daarin te voorzien. Dit contract loopt in september 2013 af en het ministerie wil het contract niet verlengen. Er moet flink bezuinigd worden. Het kabinet heeft besloten dat ook in de kosten van de ministeries moet worden gesneden om de rijksbegroting weer op orde te krijgen. Vervolgens is door Justitie de met ambtelijke humor gedoopte ‘Nota stofkam’ opgesteld. Daarin staat dat de bezuinigingen worden geconcentreerd op overhead en bedrijfsvoeringskosten. Overbodige franje moet worden weggesneden, zo kunnen ontslagen zoveel mogelijk worden voorkomen. Stenen voor mensen is het bezuinigingsmotto. Stoelmassages vallen volgens de nota ook onder de te missen zaken.

Geen instemming OR

In artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden is bepaald dat instemming van de OR nodig is voor het afschaffen van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het re-integratiebeleid. Hoewel de massages misschien meer bedoeld waren als een extraatje, vindt ook het ministerie dat het gaat om het afschaffen van zo’n regeling. De OR wordt instemming gevraagd, maar deze weigert.
De OR vindt dat er gewoon een afspraak ligt. Daar moet het ministerie zich gewoon aan houden. Contract is contract. Verder heeft er, anders dan was afgesproken in 2006, geen evaluatie plaatsgevonden van het effect van de stoelmassages voordat het contract zou aflopen. De OR vraagt zich ook af of de bezuiniging wel effect zal hebben. Afschaffing van de stoelmassages zou tot een hoger ziekteverzuim kunnen leiden.
Het ministerie stapt naar de rechter. Als de OR geen instemming geeft, kan de rechter vervangende instemming geven. De weigering van de OR moet dan wel onredelijk zijn, of het ministerie moet zwaarwegende redenen hebben om de maatregel toch te willen treffen.

Onder druk worden afspraken vloeibaar

De rechter oordeelt dat er zelfs geen halfzachte afspraak met de OR bestond. Als al was toegezegd dat het kwart miljoen ten goede zou komen aan het personeel, dan was dat wel onder het impliciete voorbehoud dat er budgettaire ruimte is. Nu er zo fors moet worden bezuinigd, kan de OR het ministerie in redelijkheid niet meer aan die afspraak houden. Als die al bestond.
De evaluatie-afspraak houdt niet in dat moet worden onderzocht hoe de massages verliepen. Ze houdt niet meer in dan dat het ministerie op enig moment mocht bedenken of stoelmassage nog wel een goede besteding was van het vrijgevallen kantinegeld. In plaats van een procedurele hobbel voor het ministerie, is de evaluatiebepaling dus een ontsnappingsclausule.

Stoelmassage is onzin

Dat stoelmassage onzin is, zegt de rechter niet. Maar het scheelt niet veel. Hij vindt dan ook niet dat Justitie moet aantonen dat stoelmassages niet werken. Ze behoren niet tot de maatregelen uit het beleid van het Rijk om het eigen personeel gezond te houden.
Dat uit een door de OR gehouden enquête blijkt dat de medewerkers de massages als zeer prettig ervaren vindt de rechter niet doorslaggevend. Verder is het ziekteverzuim bij het Ministerie van BZK niet gestegen nadat daar in 2010 de massages zijn afgeschaft. De rechter oordeelt dat de stelling van de OR dat werken op dat ministerie heel anders is dan op Justitie niet is onderbouwd. Er is dus geen reden om aan te nemen dat het effect van afschaffing wel heel groot zou zijn.
Massages zijn niet aantoonbaar noodzakelijk voor de gezondheid van justitieambtenaren. Het gaat om als prettig ervaren extraatjes. Als er bezuinigd moet worden, is het niet redelijk van de OR om aan dergelijke franje vast te houden.

Wat leren we ervan?

Afspraak is niet altijd afspraak. De werkgever, zeker als dat de overheid is, heeft een vrij grote beleidsvrijheid. Gewoonlijk helpt het argument dat het geld op is niet om onder contractuele afspraken uit te komen. In deze bijzondere context – overheidsdienst, door het kabinet voorgeschreven bezuinigingen – kennelijk wél. Het is dan ook de vraag of de uitkomst dezelfde zou zijn geweest als, bijvoorbeeld, de Rabobank of Albert Heijn hun stoelmassageregeling voor kantoorpersoneel zouden hebben afgeschaft. Hier speelt mee dat er een democratisch gelegitimeerd besluit is genomen om te bezuinigen. Ergens is dat wel opmerkelijk. Voor iemand die achter een bureau werkt zal niet langer gemasseerd worden even onprettig zijn, ongeacht of de aandeelhouders of het parlement dat besluit hebben goedgekeurd. Bij medezeggenschap bij overheidsorganisaties geldt echter het primaat van de politiek.

Opmerkelijk is dat de afspraak mag wijken, omdat de inhoud – stoelmassage – niet zo veel voorstelt. Je hebt er niets aan, dus waarom zou je het willen handhaven. Bij de vraag of een werknemer recht heeft op achterstallig loon, bijvoorbeeld, is ook niet zo relevant of hij dat geld echt nodig heeft.  Ook bij de verzekeraar of huurbaas vind je zelden gehoor met het argument dat hij het wel kan lijden als je niet betaalt.  Op deze manier worden afspraken wel boterzacht.

Dit alles neemt niet weg dat de beslissing van de rechter goed te begrijpen valt. Afspraak is afspraak, zeker. Dat uitgangspunt mag wel gerelativeerd worden als het om onnodige extraatjes gaat. Nogmaals: strikt genomen lag er volgens de rechter geen afspraak, dus dan heb je sowieso nergens recht op.

Ik heb het sterke vermoeden dat de rechter vooral heeft gedacht dat het ‘niet veel gekker moet worden’.  Stoelmassage ook al een recht: what’s next?

Share

Actie, actie!

In Nederland wordt 1 mei, de dag van de arbeid, niet uitbundig gevierd. Dat bleek gisteren ook maar weer eens. Het is eigenlijk al heel wat als het gevierd wordt. Het feest van de arbeidersbeweging is in andere landen wél aanleiding voor festiviteiten. Vaak is het een vrije dag. En soms vinden er zelfs stakingen, demonstraties en rellen plaats.

In polderland Nederland verloopt het allemaal wat rustiger. Meer in het algemeen doet Nederland kalmpjes aan. In het buitenland worden het openbare leven of hele takken van de industrie met enige regelmaat met stakingen platgelegd. Hier wordt er weinig en niet zo lang gestaakt. Meestal komen werkgevers en werknemers er in harmonieus onderling overleg wel uit.

Treinen zijn smoezelig
Treinen zijn smoezelig

Treinreizigers zullen het er echter misschien niet mee eens zijn dat het helemaal meevalt hier. Schoonmakers bij de NS zijn al een tijdje aan het staken. Het wordt een steeds grotere smeerboel in de trein. Relatief weinig staken kan toch best veel zijn, als je elke dag in een smerige coupé moet zitten.

En de schoonmakers zijn niet de enigen die de laatste tijd actie voeren. Gemeenteambtenaren en vrachtwagenchauffeurs zijn bijvoorbeeld ook bezig. Een verklaring is dat de economie aantrekt en vakbonden weer ruimte zien voor salariseisen.

Stakingen zijn schadelijk en hinderlijk. Dat is ook precies de bedoeling. Ze zijn een drukmiddel om concessies van werkgevers af te dwingen. Vanwege die schade en hinder  wordt vaak geprobeerd om de rechter de staking te laten verbieden.

Een voorbeeld is de, zoals dat toen nog heette, koninginnenach-staking van 2010. De zaak werd vlak voordat de staking zou beginnen in een spoedprocedure behandeld, op 27 april 2010. En een dag later velde de rechter al zijn oordeel  (JAR 2010/157). Nu de dag van de arbeid weer onopgemerkt voorbij is gegaan, leek me dit een goed moment om aan deze zaak aandacht te besteden.

Meer loon, anders wordt het een grote troep

Vanaf de zomer van 2009 voerden ambtenarenbonden en gemeentes overleg over de arbeidsvoorwaarden. Daarover kunnen ze het maar steeds niet eens worden. De onderhandelingen slepen zich maandenlang voort. Partijen komen nauwelijks tot elkaar. De bonden gaan in april 2010 dreigen met acties, maar zonder resultaat. Vervolgens mailen ze een ultimatum aan de gemeente-onderhandelaars. Vanaf 28 april middernacht tot 30 april middernacht zullen de medewerkers van het Haagse straatveegbedrijf het werk neerleggen.

Die data zijn niet toevallig gekozen. Het komt er in feite op neer dat de ambtenaren weigeren om de troep die in de binnenstad achterblijft na een koninginnenach op te ruimen. Dat evenement werd altijd goed bezocht en na afloop lag de stad bezaaid met afval. En dat terwijl er dan de dag erna, koninginnedag, overdag allerlei vrijmarkten, kermissen en andere festiviteiten worden georganiseerd. In 2010 verwachtte de gemeente bijna een kwart miljoen bezoekers voor de maar liefst 33 evenementen. Dat alles levert 120 kubieke meter afval op.
Er wordt een week van te voren nog koortsachtig overleg gevoerd. Dat leidt wederom tot niets. De enige concessie die de bonden doen is dat ze veegploegen op afroep beschikbaar zullen houden voor als er een noodsituatie zou zijn.  De staking is dus aanstaande.

ULTIMATUM

Maar dit gaat te ver!

Tegen de bonden wordt een kort geding aangespannen. De gemeente wil een verbod op de stakingsactie. Het gevaar voor de openbare orde en de overlast voor het publiek is te groot. In feite willen de bonden de viering van de koninginnenach en -dag ontwrichten, zo zegt de gemeente. Feestgangers kunnen zich verwonden aan rondslingerend glas. Afvalhopen leveren brandgevaar op en kunnen de weg blokkeren voor hulpdiensten als brandweer en ambulances.
En dat allemaal terwijl deze acties helemaal niet nodig zijn. Er is nog ruimte voor overleg. De gemeentes zijn daartoe, nog steeds, van harte bereid. Dat heeft de VNG ook in persverklaringen namens de gemeentes laten weten. Ook de vakbonden hebben optimistische verklaringen uitgegeven. De stakingsacties zijn volgens de gemeente prematuur.

De staking is dus eigenlijk niet nodig en de mogelijke schade is erg groot. Alle reden dus om deze nutteloze en gevaarlijke actie te verbieden. Al wil de gemeente zeker niet ontkennen dat werknemers, ook gemeenteambtenaren, in beginsel het recht hebben om te staken.

De rechter ziet het anders

De rechter kijkt er totaal anders tegenaan. Behalve dan dat er een recht om te staken bestaat. Hij ziet echter geen aanleiding om een uitzondering op dat recht aan te nemen.
Het argument dat de acties prematuur zijn, wordt vrij simpel van tafel geveegd. De onderhandelingen hebben immers al maanden en maanden geduurd. Dat de gemeentes en de bonden inmiddels zeggen weer wat ruimte te zien, is waarschijnlijk juist het gevolg van de actiedreiging. Verder is niet gebleken dat de bonden de gemeente te laat hebben gewaarschuwd voor de acties.

De andere argumenten kunnen op meer begrip rekenen. Op zichzelf zijn ze valide. Staken mag de openbare orde, de volksgezondheid en gerechtvaardigde belangen van derden niet te ernstig aantasten. Alleen ziet de rechter de door de gemeente voorspelde apocalyptische smeulende afvalbergen niet direct ontstaan. Er is een risico, maar dat is niet overdreven groot. Staken is nu eenmaal een fundamenteel recht. Daarom mag het niet zo maar, wegens een mogelijk gevaartje op ellende, worden beperkt.

dreigende afvalhopen of alleen normale troep?
dreigende afvalhopen of alleen normale troep?

Van belang is ook dat de bonden hebben toegezegd om schadebeperkende maatregelen te treffen. Er worden extra afvalbakken neergezet. Er worden verschillende piketploegen schoonmakers achter de hand gehouden om bij dreigende noodsituaties alsnog de boel op te ruimen. En de stakers zijn bereid om, direct na afloop van de acties, al ’s nachts te beginnen met schoonmaken in plaats van ’s ochtends. De rechter verzucht ook nog dat de bezoekers van de evenementen het kennelijk normaal vinden om hun troep op straat te gooien. Zij mogen dan in ieder geval niet klagen over overlast.
Verder acht de rechter van belang dat de actie betrekkelijk kort duurt, een dag. En dat de bezoekers van de vrijmarkten niet door hopen afval hoeven te waden, omdat die markten op andere plaatsen worden gehouden dan de nachtelijke concerten.

De acties gingen dus door. De straten van Den Haag zijn inderdaad erg vies geworden. Maar of dat nu veel viezer was dan normaal?

Wat leren we ervan?

Staken is een grondrecht. Zowel van werknemers als van ambtenaren. De rechter gaat daarom terughoudend om met zijn bevoegdheid om acties te verbieden. Stakingen kunnen te bedreigend zijn voor belangen van derden, de openbare orde of de volksgezondheid. Dat wordt echter niet gemakkelijk aangenomen. Als een staking niet schadelijk zou zijn, zou er bovendien ook weinig dreiging vanuit gaan.  Werkgevers schrikken natuurlijk niet van ludieke publieksvriendelijke acties.

Vakbonden moeten zich bij het organiseren van stakingen wel aan bepaalde spelregels houden. Zo moet de werkgever tijdig worden gewaarschuwd. Deze kan dan maatregelen treffen om de schade binnen de perken te houden. Of de staking voorkomen door een beter bod te doen in de onderhandelingen.

Verder blijkt uit deze uitspraak dat wanneer de openbare orde en andere publieke belangen spelen, van de bonden wordt verwacht dat zij preventieve maatregelen treffen. De schade mag niet te ernstig worden. Aan de andere kant blijkt wel dat de rechter heel nauwgezet nagaat of die gevaren wel reëel zijn. De werkgever die claimt dat de gevaren groot zijn, moet dat verhaal hard kunnen maken. Dat is lang niet altijd makkelijk.

Advocaat-Generaal Koopmans schreef ooit in een conclusie dat hij moeite heeft met het vaak door werkgevers gebruikte argument van dreigende maatschappelijke ontwrichting. Zeker bij stakingen die hooguit enkele uren of dagen duren, zoals meestal het geval is in Nederland. Maatschappelijke ontwrichting is wat hij meemaakte als inwoner van Amsterdam in de hongerwinter. Een vertraagde of vieze trein, of een middag geen busvervoer, hoe vies en vervelend ook, zijn dat niet.  Wat rondslingerende stinkende rotzooi in de binnenstad op 30 april, die  bovendien op de dag van de arbeid direct al weer wordt opgeruimd, evenmin.

Het Nederlandse stakingsrecht komt er gek genoeg op neer dat werknemers rotzooi mogen trappen voor een betere cao, mits dat op een evenwichtige, keurig nette manier gebeurt.

Share